Herinneringen van de broer van Reinier: Eelco Verbiest

Reinier werd geboren in Bergen op Zoom op 9 januari 1969 en groeide vanaf z’n zesde jaar op in de Bloemendaalse gemeente Overveen . Hij groeide op tot een sportieve, leuke, knappe jongen die van het leven hield. Onbezorgd, soms onbezonnen. Hij had veel vrienden en vriendinnen om zich heen  en zocht altijd wel weer iets nieuws op. Hij had gauw grootse plannen, kocht graag iets moois voor zichzelf hoewel hij dat niet altijd kon betalen, maar niet tot in het extreme, hij wist wat hij deed. Het was een graag geziene jongen, met ups en downs zoals iedereen die heeft. Maar altijd vreselijk positief en vrolijk ingesteld, en doorspekt met humor. Toen ons gezin net begonnen was met  vlees van het menu te schrappen, zei hij, met zijn ogen gericht op het blik eekhoorntjesbrood op het aanrecht;”Ik dacht dat we alleen nog vegetarisch zouden eten?”.

Op zijn Honda SS50 scheurde hij graag overal naar toe, maar dan moest het wel wat sneller dan normaal. Toen hij op een dag niet wist dat bij ons in de straat de weg van een nieuwe grindlaag was voorzien, resulteerde dit in een ziekenhuisbezoek, terwijl hij maanden later nog de kiezeltjes uit zijn elleboog kon pulken. Maar klagen deed hij niet.

Hij organiseerde een “Honda-dag”, bedoeld om met tientallen SS50’s rond te toeren, zoals hij dat in Hilversum gezien had. Dat slechts alleen zijn vrienden met brommer op kwamen dagen maakte niet uit; de dag was geslaagd.

Hilversum, bijna 60 kilometer verderop,  daar kon je veel beter stappen, dus daar moest hij naar toe.  Hij vertrok op vrijdag met zijn brommer, en de hele zaterdag hebben we hem niet terug gezien. Geen telefoon, niets. Zondagmorgen zaten mijn moeder en ik in de zenuwen voor het raam. Laat in de ochtend kwam hij aangelopen, vanuit Hilversum met de brommer aan de hand. Na het stappen kwam hij erachter dat zijn brommer gejat was; hij is gaan zoeken en vond hem met lege tank in de bosjes. Gezien het feit dat hij geen geld meer had, is hij maar naar huis gelopen. Dat hij niet gebeld heeft vanuit iemands huis, ach, daar haalde hij zijn schouders over op; het stappen was leuk geweest.

Vroeger gingen we met z’n vieren op fietsvakantie. Zoals bij de meeste mensen zijn dat mijn beste jeugdherinneringen. Uiteraard moest er aan deze vakanties weer een sportieve uitdaging verbonden worden. Zo waren alle dorpsnaamborden bij binnenkomst, elke witte lijn dwars over de weg, en elke brug of berg een punt waarmee we ons eigen tussensprintklassement maakte.
Ik heb vaak geprobeerd om de tussensprints bij te houden, maar Reinier fietste me helemaal kwijt. Op één van de fietsvakanties bij Maastricht kwam op een gegeven moment weer een brug, dus een sprintmoment. Boven op de brug een hoop herrie; Reinier zijn ketting was gebroken. Vader boos; dat kwam er nou van, nog zo vaak gewaarschuwd en zo voort, en zo voort. Hij vertelde de richting waarin we verder zouden fietsen en Reinier zocht het maar uit. Streng, boos en bezorgd lieten we hem achter. Hoe hij het fikste, geen idee, maar twee uur later had hij ons ingehaald mét gerepareerde fiets. Geen punt. Hij was een jaar of zestien.

Een andere vakantie hebben we op een camping aan de Maas gezeten. Ook met de fiets, dus maar een dag; maar, we zijn daar wel vaker geweest. Aan de overkant van de weg was een kersengaard, en binnen een paar uur hadden we een club vrienden bij elkaar en een stiekeme afspraak geregeld. Toen ’s avonds iedereen sliep, zijn Reinier en ik alle tenten af gegaan om de vrienden van overdag wakker te maken en op te halen. Met de hele club zijn we toen de camping af gegaan om kersen te jatten uit de gaard. Daarna hebben we die met smaak op gegeten in een kring op het campingveld, onderwijl breeduit kletsend. We hadden een leuke spannende nacht, met dank en excuses aan de fruitboer.

Begin jaren negentig hadden mijn broer en ik Backgammon ontdekt. Als het maar even kon speelden we dit samen, uiteraard om geld. Elk half jaar was afrekentijd; het was wel steeds Reinier die mij moest betalen, het heeft hem tientallen guldens gekost.  Als ik voorstelde om het zonder geld te spelen, dan werd dat zo van tafel geveegd. Geld had hij nooit, maar gezeurd werd er niet, en dat geld kwam er altijd wel.

Met geld was het trouwens vaker een bijzondere jongen. Toen het “flappentappen” nog maar kort bestond in Nederland, waren de computers nog niet zo snel in het verwerken van de transacties. Reinier presteerde het dan om geld binnen in de bank op te halen als de studiefinanciering binnen was, om daarna snel naar buiten te gaan om exact hetzelfde, volledig beschikbare bedrag via de automaat op te nemen. Dat hij dan voorlopig weer rood stond maakte niet uit. Ook als iemand hem geld te leen vroeg kwam dat er. Reinier leende het dan desnoods zelf bij iemand anders, om het vervolgens weer uit te lenen. Naïef? Nee, hij wist donders goed wat hij deed, maar had gewoon een bepaalde onbezorgdheid over zich. Hij had het geloof dat het altijd wel weer goed zou komen. En gek genoeg kwam het dat ook.

 

Herinneringen van de moeder van Reinier: Gerda de Bot

Altijd was iedereen welkom. Om te eten, te praten,te slapen. Groot was mijn verbazing toen ik 's nachts thuiskwam van een reis naar Egypte van een maand, naar mijn bed verlangde, maar alle bedden gevuld vond met kinderen. Het waren de broertjes en zusjes van de vriendin van Reinier.
Hun moeder lag te bevallen van het 6e kind!
 
In de brugklas had Reinier samen met mij een nieuwe outfit gekocht. Apetrots was hij op de knalrode kleren. Precies 1 keer heeft hij ze aangehad! Na 4 maanden kwam er eindelijk uit waarom: Ze zeiden op school homo tegen hem!

Als hij thuiskwam en iets moest vertellen riep hij altijd: Hé ma! Op een keer zei ik: Reinier, dat vind ik zo goedkoop klinken! Dat had hij goed in zijn oren geknoopt. De volgende keer riep hij: O ma!

 

Herinneringen van de vader van Reinier: Rien Verbiest

De vraag van Eelco of ik als vader van Reinier wat over hem zou kunnen vertellen op ‘zijn site’, is niet zo gemakkelijk in te vullen. Allereerst vanwege de move van Eelco om een Israeltour te maken ter ere en nagedachtenis aan Reinier. Ik sta niet te juichen over een dergelijk avontuur. Ik heb daar zo mijn redenen voor maar die horen en passen niet bij de inhoud van deze site. Is het een late verwerking van het verdriet over zijn broer? Is het een ideefixe om atmosferen op te roepen die er niet meer zijn? Laat de tijd het antwoord geven.

Rond zijn 14e jaar zat hij nog steeds alsmaar thuis Suske & Wiske te lezen. Tot ik om te stimuleren riep dat hij eens uit moest gaan met vrienden, ‘ga zwemmen of zo iets, maar doe iets’. Reinier is vanaf dat moment ‘gegaan’. Achteraf zeg ik wel eens bij mezelf ‘hij is gegaan en nooit meer thuis gekomen’. Hij ging, als een wervelwind, zonder taboes of beperkingen, intens en met een tomeloze energie.

Hij bestede veel tijd aan school, echter niet aan leren. Het sociale leven was het belangrijkste. Na twee keer zitten blijven op de middelbare school moest hij van mij er af. Vele baantjes vast en los waren het gevolg. Overal wist Reinier zijn weg te vinden. Hij melde zich voor vervroegde dienst bij de mariniers. Als het dan toch verplichte dienst moest zijn, dan maar direct en extreem. Na een speedmars van 15 km. met volle bepakking stelde de sergeant vergenoegt vast dat zijn groep aardig was afgeknepen en geen babbels meer had. Reinier (met atletiek achtergrond) merkte op dat het een aardige opwarmronde was. Hij werd tijdens de straf-mars door zijn maten vervloekt en afgesnauwd. Reinier genoot zwetend en fluisterde zijn afgestorven maten toe dat die dienstpik verdomd laat thuis zou komen en zijn vrouw geen kind meer aan hem had. ‘Wie heeft wie nu tuk’, was kenmerkend voor Reinier. Een middenvoetsbeenbreuk voorkwam verdere defensieperikelen.

Als hij met de brommer naar Hilversum wilde omdat je daar zo gezellig kon stappen zei ik dat het Vrijthof in Maastricht zeker zo gezellig is. Hij keek me dan quasi serieus aan en zei ‘dat is ook een idee’. Ik wist dat hij er ‘gek’ genoeg voor was en ik had spijt dat ik het idee geopperd had. Want wat bij een ander als vaag idee voorbij komt lag bij Reinier al in de ‘nog-te- doen-bak’. Een voorbeeld is o.a. zijn voorstel aan mij om van west naar oost door Canada te fietsen.

In een slip geraken en total-loss tegen verkeerslichten blijven hangen. Over de kop met zeven man in een auto terug van het stappen. Je schudt eens met je hoofd en dat hebben we ook weer meegemaakt. Hij vrolijk en zijn ouders zorgelijk, maar beiden met koppijn.

Het oppakken van zijn fysiotherapie-studie was eveneens intens maar nu serieus. Hij had zijn richting gevonden en geloofde er heilig in. Na drie weken studie liet hij me een koffertje zien met de inhoud van EHBO-spullen, smeersels, tapes e.d. Hij had twee contracten met clubs om als verzorger op te treden. Eén voor een dames-softbalteam. Die gingen binnenkort voor een toernooi naar Italië en zo iets laat je niet lopen!! Op mijn opmerking dat je daar toch nog geen ervaring voor hebt zei hij laconiek, ‘als iemand op het veld onderuit gaat is hij maar wat blij met een paar ijsklontjes op de zere plek en de rest zien we dan wel’. Zorgeloos.

Zijn keuze voor zijn stage in Tel Aviv leverde mij niet te snappen onheilspellende gevoelens op. Ik stelde hem Melboune, Washington of wat dan ook voor. Ik kon hem er niet van af houden, hij had er terecht gegronde redenen voor. Maar hij kwam niet meer terug.
In Israel had hij het plan opgevat om misschien wel verder voor arts te gaan studeren. Dat doe je niet in Amsterdam want dat doet bijna iedereen al. Zijn laatste week benutte hij o.a. om de Amerikaanse ambassade in Tel Aviv daaromtrent te bezoeken. Zo kwam hij niet bedoeld op het verkeerde moment op de verkeerde plek terecht en ging het licht in het leven van dit prachtmens uit.

Na heel moeilijke jaren kon ik langzamerhand de draad weer oppakken en me weer meer maatschappelijk bewegen. Ik kreeg gelegenheid om op mijn 50+ leeftijd een masterstudie te volgen. Direct dacht ik daarbij aan Reinier’s wens om voor arts verder te gaan. Hij wilde en kon het niet meer. Zal ik het dan (voor hem) doen? Was het een ideefixe om zogenaamd iets voor hem te doen wat jezelf leuk vindt? Feit is dat de gedachten aan zijn niet aflatende energie mij met voldoening deze studie hebben doen volgen. Bij het afhalen van de bul heb ik het kleinood kaarsrecht de hemel in gestoken met een krachtig ‘Yes”.

Het was een ode aan mijn zoon die ik nog steeds mis en die ik een cadeautje moest geven. Zijn tomeloze energie in een zilverachtige koker die als goud aanvoelt.