19 oktober 2009, Dag 1


De eerste fietsdag zit erop. Veel later gestart dan van tevoren gepland, maar na één dag hier is me wel duidelijk dat het tempo hier lager ligt dan wat ik gewend ben. Even voor half elf staan mijn moeder en ik in de Dizengoffstraat, Tel Aviv. We zijn bij het monument, op de plek waar het gebeurd is. Het voelt niet vreemd om hier te zijn, eigenlijk wel gewoon. Ik ben niet emotioneel, maar sta eerder te springen om te beginnen. Eindelijk is het zo ver, ik wil gaan! Het afscheid is wel een beetje emotioneel, hoewel ik mijn moeder de tweede dag al weer zal zien, heeft ze ook angst voor wat er komen gaat. Ze wil graag de tocht met me mee maken, ondanks dat ze tegen de zwaarte ervan wel opziet. Mee met me, om te beschermen, wetende dat als er iets fout gaat ze toch niet veel zal kunnen doen. De Israëliërs die we kennen, zijn niet zo bekend met het fenomeen fietser; al gauw in hun ogen een gevaarlijke onderneming. Helemaal de instelling die ik zelf heb; ik zie wel wat er op me af komt, waar ik het plan moet bij stellen, of wat er gevaarlijk is… Die instelling komt volgens mij redelijk naïef en onbezonnen over, want de Israëlische kennissen die we hebben, zijn bezorgd, en dat is zacht uit gedrukt. Deze zorgen zijn ook duidelijk uit gesproken tegen mijn moeder, die, als ze het er met mij over probeert te hebben, tegen dezelfde instelling aanloopt. Hoe vaak ik ook zeg dat ik hier niet gekomen ben om koste wat kost mijn geplande tocht te fietsen, maar dat ik gekomen ben om aandacht voor de situatie te krijgen; mijn moeder en de anderen blijven bezorgd. Logisch, maar ik ben ervan overtuigd dat deze reis goed zal af lopen. In ieder geval zal ik niet onbezonnen doorgaan als ik eigenlijk weet dat ik de handdoek in de ring moet gooien.


Tel Aviv is een grote drukke stad. Eindelijk kan ik vertrekken. Zonder kaart, puur op richtingsgevoel verlaat ik de stad. Waar ik denk flink te lopen prutsen om de stad uit te komen, blijkt dat achteraf mee te vallen. Door de drukte en het warme weer hangt er een soort smog boven de stad, iets wat we gister al gezien hadden vanuit de flat waar we sliepen. Ik krijg snel hoofdpijn, die de hele dag aanhoudt, waarschijnlijk door de lucht. Eenmaal bijna de stad uit, volg ik de “4”, een soort snelweg waar ik ook op mag fietsen. Niet de mooiste weg om te fietsen, wel de snelste om naar het noorden te komen. Het begint als een zesbaans weg, waar het verkeer met 120 langs me raast, maar onveilig voel ik me niet. Zwaarder bepakt dan ik van tevoren gedacht had, terwijl ik nog denk spullen te kort te hebben.


Het is een snikhete dag. Daar was ik van tevoren ook voor gewaarschuwd. Mensen zeggen me dat dit een van de heetste weken van de zomer is, terwijl het eigenlijk al herfst is. Vanwege een longinfectie heb ik in Nederland niet getraind. Door de combinatie te weinig getraind en het warme weer merk ik dat ik heel wat vraag van mijn lichaam. Ik rijd door bewoonde wereld, maar kom niet veel winkeltjes tegen; waarschijnlijk zal ik dan meer van de hoofdweg af moeten. Na 30 kilometer kom ik bij een uitrit waar eindelijk wat schaduw is. Hier ga ik even rusten en wat eten. Achter me blijkt een restaurant te zijn waar ze me gratis van water voorzien. De uitlaatgassen zijn verschrikkelijk. Bij elk stoplicht moet ik stoppen en word ik niet goed van de warmte die van de auto’s af komt. Als ik er ongeveer 50 kilometer heb opzitten, kom ik bij een benzinepomp waar ik trillend in de airco een cola en een broodje wegwerk.


Gelukkig komt er rond kwart voor drie wat bewolking opzetten. Qua temperatuur is het beter te doen zo, maar mijn kont voel ik wel steeds meer. Uiteindelijk kom ik aan bij Dor; hier zou volgens de kaart een camping moeten zijn. Ik rijd een paar kilometer richting kust, en kom langs een winkel. Ik besluit nog niks te kopen, want als ik niet goed zit, loop ik weer te zeulen met de spullen. Als ik bij de receptie ben, blijkt de camping gesloten. Dan maar terug naar de “4”, en hopen dat er verderop wat is. De volgende afslag is Ha Abonim; volgens internet moet hier ook een camping zitten, maar er staat alleen een bordje met paradiveclub aangegeven. Toch besluit ik m’n geluk te beproeven. Na een paar kilometer kom ik op een ontzettend slechte weg. Ik denk gelijk aan de tocht van vorig jaar met mijn racefiets… Blij dat ik nu stevige banden heb!


Lang is me onduidelijk waar ik terecht ga komen, maar ik verdom het om terug te gaan. Desnoods slaap ik hier langs de kant van de weg. Ik moet voor de tweede keer over de spoorlijn, en voor de tweede keer zie ik daar een hokje bij staan met iemand erin. Beroep: “Er-komt-een-trein-aan-waarschuwer”?. Uiteindelijk beland ik op een stuk strand met een parkeerplaats en een soort strandhut erbij. Ik zie hier het symbool voor camping, en spreek een jongen aan. Ja, ik mag hier kamperen en gebruik maken van de douche, welkom in Israel!


Lachend duw ik mijn fiets het strand op, ik geloof dat ik op moet schieten, want het begint al wat donker te worden. Wanneer ik de tent opzet, lukt het me niet de haringen in de grond te krijgen; het lijkt zandstrand, maar stenen zitten in de weg. Die zal vannacht wel instorten… Gezinnen verlaten het strand; een grote groep jongens settelt zich juist en maakt een kampvuur. Als ik mijn moeder bel om te zeggen dat ik aangekomen ben, vertel ik maar niet hoe ik er hier bij zit, en dat ik geen eten bij heb, anders zou ze me alsnog komen halen.


Ik neem een duik in de Middellandse zee, en ga douchen. Inmiddels is het donker, en op zee is geen boot te bekennen. Landinwaarts is er een grote brand in de heuvels. Op het strand lopen wilde katten, als ik daar maar geen last van heb vannacht! Later deze reis zal blijken dat zwerfkatten een ware plaag zijn in Israel. Als ik op het terras zit te schrijven, hoor ik tot twee keer toe schieten in de verte. Het lijkt van zee te komen, het zijn echte mitrailleur salvo’s. Het valt me op dat alle jongens in de groep op dat moment tegelijk stil vallen. Later komt er een “ranger”van dit gebied voorbij, die een praatje met me probeert te maken. Hij weet niet of het een oefening is, maar het heeft vast niet met Libanon te maken…

Ineens begint een luidspreker boven mijn hoofd te blèren dat we hier welkom zijn, er geen lifeguards zijn, en de wc’s op slot gaan. Regelmatig hoor ik katten vechten, en ik zou wel wat eten lusten.


Op het moment dat ik me afvraag of ik zal gaan slapen, komt een van de jongens van die groep naar me toe, met een bord eten en een fles water. Hij wist niet of ik wat te eten had, en nodigt me uit bij de groep. Het blijken militairen te zijn. Als ik bij twee jongens ga zitten, is de een alleen geïnteresseerd in zijn mobiel, de ander alleen in hoeveel je in Nederland kunt verdienen. Als ik hem vraag naar de mitrailleursalvo’s, weet hij het niet en draait zijn rug naar me toe. Later praat ik een tijd met de eerste jongen. Over fietsen, de aanslag, politiek etc.. Ook hij weet niet wat de schoten waren, maar denkt aan een oefening.


Eenmaal op bed duurt het lang eer ik in slaap val. Het zingen en praten van de groep houd me wakker. Ook

‘s nachts ben ik vaak wakker. Van de kou, van de harde ondergrond, van weet ik wat… Ook een keer omdat ik wakker word omdat er iemand langs m’n tent loopt en er overheen lijkt te strijken. Als ik de tent open maak zie ik niks. Het is weer wennen, de eerste nacht buiten.



20 Oktober 2009, Dag 2


Rond half acht word ik wakker omdat er een vrouw over een “fahrrad” aan het praten is; dat gaat over mij. Het blijken alweer de eerste bezoekers van het strand te zijn. Ik ga gelijk aan de gang, en ben vlot weg. Een gratis 5 sterren overnachting! Gisteren heb ik 89 kilometer afgelegd. Niet slecht voor een eerste dag. Via de slechte weg kom ik weer op de “4”, en even later kan ik ontbijten bij een benzinepomp. Tussen de bananenplantages door ga ik richting het noorden. Weer valt me op hoe vies het land is, het lijkt alsof ze geen respect hebben voor hun eigen beloofde land. De route is afwisselend, dan weer opengebroken zodat de auto’s vlak langs me passeren, dan weer driebaans, dan weer elke tweehonderd meter een stoplicht. Vaak wordt er geclaxonneerd, in het begin trek je je dat persoonlijk aan, maar later blijkt het een tik van de mensen hier; er wordt echt overal voor getoeterd! Ja, ook voor mij, maar dat is niet per definitie negatief; soms maak ik mee dat er dan een duim naar me opgestoken wordt.


Het is warm vandaag, volgens mij warmer dan gisteren. Vlot kom ik in Haifa aan. Nergens kan ik fruit vinden, ik moet het doen met een glas verse jus, want ik wil ook niet ver van de route af. Moeders blijkt nog een auto te moeten huren, dus die is nog niet in de buurt. Ik heb gegeten, gedronken, en voel me toch niet goed. Buiten Haifa kom ik een McDonald’s tegen. Ik stop er, en vraag een zakje zout. Met wat water spoel ik dit weg, en acuut knap ik op! Dat was nodig. Ik merk dat ik met deze hitte en mijn conditie wat vaker moet rusten, meer dan in Frankrijk. Het lampje moet wel blijven branden natuurlijk.


Ondanks dit, en het feit dat de snelheid vaak niet boven de 20 km/h uitkomt, schiet het toch op. Rond half drie passeer ik Nahariyya, en moet ik uit gaan kijken naar een overnachtingplaats. Voordat ik tegen Libanon aan fiets, of alleen maar gesloten campings tegen kom. Tegen drieën kom ik bij een camping gelijk aan de weg. Moeders blijkt net vertrokken; er zit volgens de opzichter (met pistool) van de camping een kibboets hier vlakbij voor haar. Ok, hier ga ik staan. Hij verteld me dat ik wel de enige ben. De camping is een mooi terrein, met oude bouwsels, gelijk aan zee. Een schitterende plek met uitzicht. Ik zet de tent op, vandaag 70 kilometer afgelegd. Weer ga ik zwemmen, douchen. Ik maak een praatje met de opzichter die een lamp voor me regelt, omdat alles is afgesloten i.v.m. het einde van het seizoen. Ook laat hij een kamer zien met airco en bed, waar ma eventueel in zou kunnen slapen. Als ze wat later arriveert, is het personeel vertrokken. Het wordt donker. Het hek is achter ons dicht, een klein deurtje is opengelaten voor ons. Ik heb de sleutel van het hok gekregen, we zijn ook echt helemaal alleen hier op dit terrein. Ze is er niet happy mee, maar het is te laat om nog naar een kibboets te gaan. Uiteindelijk besluit ze te slapen in de auto vlak bij mij. Dat slapen zal dan wel een probleem worden, maar in dat hok verderop op de camping, ziet ze niet zitten. Ik vind het vervelend dat ik haar hier gebracht heb. Uiteindelijk praten en eten we wat, en om half negen kruipen we de auto en tent in.



21 oktober 2009, Dag 3


Om zeven uur word ik wakker, mijn nacht was redelijk. Moeders zit dan al omgekleed en wel te puzzelen. Ze heeft een beroerde nacht gehad, maar klagen doet ze niet. Om negen uur verlaten we de camping richting grens. Mijn onderkant is beurs, die moet nog even door de pijn heen. Het is maar vijf kilometer naar de grens, maar die gaan wel gelijk steil omhoog. Eenmaal boven hebben we een prachtig uitzicht, jammer alleen dat het bewolkt is zodat je niet ver kunt kijken. Zoals de afgelopen dagen vraag ik me af of het bewolking of smog is boven de kust, maar los hiervan is het vandaag wel een bewolkte dag. Gelukkig, want ik moet straks de bergen in. Het blijkt dat de grens hermetisch is afgesloten. Ik had begrepen van Israëliërs dat je met moeite Libanon inkomt, en problemen krijgt als je weer terug wilt, maar van een Unifil soldaat begrijp ik dat de grens überhaupt nog nooit open is geweest. Toch vraag ik aan een grenspost met mijn ambassade brief of ik erdoor mag, kijken hoever ik kom. Het duurt vijf kwartier eer ze terug komt, en ik mag er niet in. Geen verrassing, maar wel vervelend dat ze daar zo lang de tijd voor nodig hadden. Wat ook apart is; er hangt een groot bord waarop staat dat er geen foto’s genomen mogen worden, maar busladingen vol fotograverende toeristen wordt niets in de weg gelegd…


Na een kop koffie en het afspreken van een rustplek, zeg ik gedag tegen moeders. Het is half elf. Vrij snel krijg ik gezelschap van een wielrenner die een twintig minuten met me mee fietst. Hij verteld semi-prof geweest te zijn in Italië. Toch grappig dat hij dan respect heeft voor mijn plannen om vandaag door de bergen te fietsen. Of had ik dat meer als waarschuwing moeten zien?


De komende uren en kilometers zijn slopend. OK, ik wist dat ik de bergen in zou gaan, en dat het zwaar zou zijn, maar uur na uur kom ik niet sneller vooruit dan 6 km/h. De heuvels zijn moordend, volgens mij krijg ik steeds een stijgingspercentage van meer dan tien procent voor m’n kiezen. Afdalingen zijn er niet, en volgens de kaart zal ik alleen nog maar hoger moeten. Ma komt eerder terug om te lunchen dan afgesproken, maar ik ben er alleen maar blij mee. Om twee uur komt ze me vertellen dat we nog lang niet in de buurt zijn van het plaatsje Sasa. Het punt waarvan ik had gezegd het als evaluatie punt te nemen, maar waarvan ik een uur geleden zei dat ze daar maar moest gaan kijken of er een slaapplaats was. In de bergen wordt het eerder donker, maar ik wil nog minimaal een uur fietsen, om toch te proberen bij Sasa te komen.


Eén van de heuvels is zo lang en steil, dat ik drie keer van mijn fiets af moet om een stuk te lopen. Later blijkt Sasa helemaal niet handig, maar meer op de weg terug. Als ik ma weer tegenkom, blijken we elf kilometer van Yi’ron te zitten; een kibboets waar bekenden van haar wonen. Daar is ook een slaapplaats voor ons, dus we besluiten daar naar toe te gaan. Die laatste elf kilometer gaan snel; het is ook wat meer bergaf richting de grens van Libanon. Hier wordt duidelijk hoe de grensstreek eruit ziet; kaal aan Libanese zijde, groen aan Israëlische kant. En dreigend. Ik was gewaarschuwd geen foto’s te maken van dit gebied, en uiteraard doe ik dat ook niet……. ; ). Om vier uur komen we aan, slechts 58 km af gelegd. Ik ga ‘s avonds de kaart bekijken, en vrees dat ik de Golanhoogte bij Syrië moet laten schieten, anders kost het me een dag extra, en die heb ik niet.



22 oktober 2009, Dag 4


Om half acht worden we wakker en gaan eten. Een leuke nieuwe ervaring, eten op een kibboets. Een grote eetzaal, en gezond eten in overvloed. Op deze kibboets wonen Petra en Shula, ouders van een meisje die ook omgekomen is bij de aanslag. Met hen gaan we na het ontbijt naar een herdenkingsplek op de kibboets. Ingericht door vrienden van het meisje, en een prachtig uitzicht. Wel weer laat vertrokken zo.

Ik heb nog een uurtje moeten klimmen langs de grens van Libanon, maar uiteindelijk krijg ik een mooie afdaling naar beneden. Elke keer valt er iets nieuws te zien. Achter me de bergen, voor me de vallei, met daarachter de imposante bergen van de Golanhoogte. Met 63 km/h suis ik naar beneden. Aan het einde van de afdaling draai ik een vierbaans weg op. Er overkomt me iets, waarvan ik zeker weet dat dit een contact met Reinier is.


Na zes kilometer kan ik een afslag nemen, en fiets ik over een rustige weg. Metershoge vijgenbomen links en rechts van me. Het is erg groen hier, ik zit aan het begin van de “East-African creek”. Later bij een brug over het riviertje (de Jordaan rivier? Klein ding!), loop ik even naar beneden om te kijken of ik m’n voeten kan koelen. Het water is groen, maar ik zie wel twee bevers zwemmen. De ochtend beloont me voor mijn inspanningen van gisteren. Afdelingen, en een lekkere snelheid. Maar tegen de middag moet ik toch weer klimmen; de berg is een echte “nekkebreker”. De weg die ik gekozen heb, is minder vlak dan ik dacht. Hij loopt door de uitlopers van de Golanhoogte. Achteraf bekeken was ik hier ook voor gewaarschuwd. Bekaf kom ik op de afgesproken lunchplek aan en probeer in de auto wat op te knappen. Het klimmen ben ik echt wel even zat.


In de auto vertelt moeders dat de plek die ik wilde vol zit. Ze heeft zelf een plaats geregeld, iets wat ivm het weekend nog niet makkelijk was. Het betekent wel dat die plek nog zo’n 45 kilometer verderop is, richting het meer van Galilea. We zeggen gedag, en ik ga op pad. Langs een militair terrein waar waarschuwingsborden staan dat het hier gevaarlijk is i.v.m. schieten. Die borden staan bij de heide van Amersfoort ook, maar hier gaat er toch een ander gevoel van uit. Op het terrein wordt geschoten, en ik kan horen dat er met scherp geschoten wordt, want ik hoor de kogels fluiten!! Ik zie in de verte een groep militairen lopen, en het is dat ik er een met een rode vlag zie lopen, zodoende weet ik dat het een oefening is. Lekker provocerend zo, vlak bij de Syrische grens! Ondertussen ben ik alweer drie kwartier aan het klimmen met 7 km/h. Ik ben het klimmen meer dan zat, en als ik zie hoe ver en hoe lang de weg nog omhoog gaat, kan ik me niet inhouden hardop te vloeken op de route en het gebied. Bij een kruispunt stap ik af en kijk op de kaart; ik begrijp niet waarom de weg zoveel stijgt. Ik moet goed zoeken, want het blijkt dat ik de verkeerde weg genomen heb. Een uur voor niks gereden! Zit ik alsnog in de Golanhoogte. Gelukkig betekent dit dat ik om kan draaien en aan een flinke afdaling kan beginnen. Galilea ligt onder zee niveau, en ik kan 15 kilometer naar beneden suizen. Dan sta ik aan het noordelijke punt van het meer, en moet ik nog door naar het zuiden. De bergen aan mijn linkerkant zijn indrukwekkend. Ondanks dat ik een gedeelte het gebied in gegaan ben, ben ik blij ervoor gekozen te hebben ze links te laten liggen. De weg die ik nu volg is glooiend; dan weer dalend, dan weer een redelijke klim. De laatste 20 kilometer vallen me zwaar, het kacheltje is aardig leeg. Het is een race tegen de schemering; de zon is verdwenen achter de bergen. Het uur wat ik verloren heb, kom ik nu echt te kort. Tegen het donker komen we aan bij Ha’on. Ik ben op. Het huisje ligt aan het meer, vast een mooi uitzicht, maar dat zie ik morgen wel. Honderdenacht kilometer vandaag!



23 oktober 2009, Dag 5


Gisteravond hebben moeders en ik ons twee uur geïrriteerd; we wilden e-mails naar Nederland sturen, maar telkens werd de verbinding met internet verbroken. Een gebroken nacht vanwege de storm over het water, maar oordopjes hebben het tweede gedeelte van de nacht gered. ’s Ochtends in de eetzaal halen we de kaart erbij. Volgens een bekende, en de kaart, is er vlak in de buurt een grensovergang naar Jordanië. Het plan is dus om de grens over te gaan, en er bij Bet She’an weer uit te komen. Een korte route, maar zo gekozen vanwege de slaapplekken. Tegen tienen stap ik op en sla linksaf; de zon brandt goed. Vervolgens weer tien kilometer steil omhoog. Weer verbaas ik me over hoe ver ik de bergen in moet. Het uitzicht is prachtig. Op een kruispunt stop ik om weer de kaart te bekijken, hopend dat ik niet de nog steilere kant op moet. Uit een auto die voorbij komt roept een vrouw: ”Kom je uit Nederland? Wat leuk!”. Ze zet de auto weg, en we bespreken het gebied. Ze woont hier al dertig jaar, en het blijkt dat er helemaal geen grensovergang is; op dit punt klopt mijn kaart niet. De bebouwing die we beneden zien, ligt overduidelijk op Israëlisch grondgebied, maar staat op de kaart aan Jordaanse zijde…


Die bebouwing beneden blijkt een “Hot spring” te zijn; een plek waar water uit de aarde komt en waar ze een soort Thermo 2000 omheen gebouwd hebben. Het blijkt dat deze vrouw op een kibboets werkt die verantwoordelijk is voor deze Hot spring, en ze biedt me kaarten aan voor gratis toegang. Gezien het feit dat mijn Jordanië plan nu toch in het bronwater gevallen is, laat ik me dat geen tweede keer zeggen. Ik bel moeders op, en even later gaan we met z’n tweeën naar binnen. Het water is vies warm, en stinkt naar rotte eieren, maar schijnt gezond te zijn. Ach, het is wel lekker om even te ontspannen, dus na de lunch vertrek ik pas weer. Tijdens de lunch belt de Nederlandse vrouw twee keer; het is weer weekend en moeilijk om een slaapplaats te regelen. Maar het is haar gelukt. Wel vervelend is dat het 20 kilometer links van Bet She’an ligt, dus van de route af, maar we moeten het er mee doen. De keus is niet groot, omdat de kibboetsen in dit gebied vrij gelovig zijn, en dus ’s avonds niemand meer binnen laten.


Eenmaal weer opgestapt en boven aan de heuvel, zie ik tijdens de afdaling dat ik dus 20 kilometer voor niks gefietst heb. Op dit moment vind ik het vervelend dat ik Jordanië niet meer inga; Libanon niet, Syrië niet; what’s next? De weg naar Bet She’an gaat redelijk, soms een heuvel, soms vlak. Op het laatste kruispunt neem ik nog heel even rust. Niet lang, want ik moet nog een vijf kwartier en de zon gaat onder. Vanaf dit moment komt de wind opzetten, en uiteraard heb ik hem precies op kop. Best een stevige wind, dus het kost me nog moeite. Ik baal dat ik m’n licht niet aan krijg, want de auto’s rijden toch weer met 80 langs me. Als ik aankom, heb ik er slechts 64 kilometer op zitten, toch ben ik moe.



24 oktober 2009, Dag 6


Ik wilde vroeg beginnen vandaag, maar het ontbijt was pas vanaf acht uur. Het ontbijt begint al aardig te wennen, ook al zit er steeds sla en zure haring en zo bij. Met de fiets draai ik de grote weg op waar ik gister vanaf kwam. @#$%^!!! Niet te geloven, wind tegen! Ik was er al bang voor, maar kan er gelukkig om lachen. Ik ga vandaag toch proberen Jordanië in te gaan, en dat maakt me vrolijk, hoewel ik weet dat ik er vandaag dik 120 kilometer tegenaan moet gooien. Een hele kluif, maar op dit moment zie ik het nog positief in. Ook het feit dat het bergaf gaat, werkt mee aan mijn humeur. Om tien uur neem ik afscheid van moeders bij de grens. Ik wissel geld en moet belasting betalen; via de Duty-free shop kan ik naar de bushalte lopen. Het is verplicht om met auto of bus de grens over te gaan, te voet of met de fiets mag niet.


Ik moet vijf kwartier wachten eer we de bus in mogen die al een half uur voor ons neus staat. Bij het instappen worden we gecontroleerd door een Israëlische soldaat. Ik krijg te horen dat ik geen stempel heb, en moet die nog snel halen. Gelukkig laat ze de bus wachten en kan ik instappen. Dan blijkt weer dat ik de buschauffeur moet betalen, maar mijn geld zit in mijn fietstas onderin de touringcar. Een Amerikaanse betaald snel voor me, de rit kan beginnen. Na 15 seconden stopt de bus, we staan voor een hek om Israël uit te kunnen. Na vijf minuten wachten is er een grenswacht bereidt het hek open te komen doen. De Amerikaanse lacht om mijn geïrriteerdheid, zij is het wel gewend door haar vele reizen in dit gebied. Door het hek gaan we linksaf, en 30 seconden later stoppen we weer. Hier is de Jordanese paspoortcontrole. Dit duurt even, en we kunnen hierna doorrijden. Na 15 seconden zijn we er. We kunnen de bus verlaten.


We pakken onze spullen en gaan het gebouw binnen. Gelukkig heb ik in Nederland al een visum gekocht, dus kan ik gelijk naar de paspoortcontrole. Er worden me vragen gesteld over mijn verblijf hier, waarbij het nogal vreemd is dat ik dezelfde dag het land weer verlaat. Ook hier moet ik nog belasting betalen, en ben ik een postzegel in mijn paspoort rijker. Ik mag doorlopen, en voor het naar buiten gaan moet ik bij een ander een formulier invullen. Wederom een vreemd gezicht als blijkt dat ik maar één dag in het land blijf, maar hij gaat er verder niet op in. Buiten bij de grenscontrole word ik terug naar binnen gestuurd naar de politie. Heb ik net gedaan, zeg ik, maar het maakt geen indruk; ik moet naar binnen. Maar daar ben ik net geweest! Naar binnen!!! Ik loop terug en word opgevangen. Fiets laten staan en mee komen. Ik word een bureau ingestuurd, en met samen mijn kleine officier, lopen er gelijk vier man politie mee naar binnen. Ik voel me niet happy, maar ik heb niks te verbergen. Wat ik kom doen in hun land…

Ik vertel ze van mijn plannen, dat ik vanavond via de Allenby bridge weer terug naar Israël ga. Het word me tijdens dit gesprek steeds duidelijker dat ik een soort bezienswaardigheid ben. De man is verbaasd, maar op een vriendelijke manier. Dan verteld hij dat hij vanmorgen nog tegen zijn secretaresse zei dat de mensen uit Europa zo groot en sterk waren, en nu zagen ze er één! Welkom in Jordanië! Pff… Of ik mijn fiets op kon vouwen, want ik mocht niet lopend over de grens, wel met een taxi. Nee dus. Nou, bij wijze van uitzondering, ik kon door naar de controlepost.

Ook daar val ik in de categorie “aapjes kijken”; ik moet mijn fietstassen van mijn fiets afhalen, en naar binnen brengen. Mijn fiets moet blijven staan. Vijf á zes man staan om mijn fiets, terwijl ik naar binnen moet. De tas moet door een scanner, en leeggehaald worden. Daarna moet ik verder lopen naar “custom service”, waar ik ook weer mijn hele tas leeg moet halen. Ik mag terug naar mijn fiets, waar al die mannen nog staan, en terwijl ik mijn tassen oplaad, willen ze van alles weten. Ik kan doorrijden, en 150 meter verder is er weer een controlepost. Weer mijn paspoort afgeven, en weer dezelfde vragen. Inmiddels ben ik erachter dat er met mijn fiets geprutst is. Wat ze gedaan hebben weet ik niet, maar mijn remblokjes zitten tegen mijn wiel aan. Heel zwaar krijg ik mijn wielen rond. Wat ik ook probeer, ik krijg het niet gemaakt. De enige oplossing is een inbussleutel, en die is bij moeders…


Boos stap ik op, boos om alle oponthoud en tegenslag. De politieman wenst me succes, zegt dat de douanepost verderop open is, en biedt zijn excuses aan voor zijn collega’s. Ik fiets weg, en na een paar honderd meter draai ik de doorgaande weg naar het zuiden op. Gelijk heb ik wind op kop, zeker kracht vijf of zes! Het is half één, dit ga ik nooit halen. Ook gelijk zand tegen; ik kan het waarschijnlijk geen zandstorm noemen, maar als ik naar rechts kijk, waar 500 meter verderop Israël moet liggen, kan ik door het opgewaaide zand het land niet meer zien.

Jordanië is echt een ander land. Slecht wegdek, geen ruimte voor fietsers, kale bergen, geen één huis wat afgebouwd is, en iedereen vindt het nodig wat tegen me te roepen of schreeuwen. De ene keer denk ik dat het vriendelijk bedoeld is, dan weer komt het intimiderend over. Ik probeer mezelf gerust te stellen met het idee dat in zuidelijkere landen mensen wat gepassioneerder zijn in hun communicatie. In ieder geval weet ik wel dat als ze kwaad willen, ik nooit op tijd weg kan komen; mijn fiets trapt loodzwaar, en er staat te veel tegenwind.


Na een kilometer of tien, kom ik langs een groep jongeren. Eén van een jaar of twaalf gooit een steen zo groot als een baksteen hard tegen mijn achterwiel. Hoe het bedoeld is? Geen idee, maar zo gaat de lol er wel gauw van af… Inmiddels heb ik gezien dat bepaalde busjes als taxi fungeren. Omdat ik weet dat ik de afstand toch niet meer ga halen, besluit ik een stuk met zo’n taxi mee te gaan. Ik heb 30 dinar op zak, kijken hoe ver ik daar mee kan komen. Ik draai me om en wenk naar een busje. Dit blijkt dan weer geen taxi te zijn, maar met zes woorden Engels, kan ik hem duidelijk maken wat ik wil. Ik wil naar de volgende grensovergang gebracht worden, zo’n zestig kilometer verderop, en vanaf daar verder fietsen. Hij herhaalt een paar keer dat die dicht is, dus wijs ik hem op de kaart aan dat ik daarvandaan naar de volgende grenspost wil fietsen. Met een blik van “het zal wel”, vraagt hij 15 dinar, ongeveer 15 Euro. Schappelijk! Ik stap in. Ruim een half uur rijdt hij zuidwaarts. Dit is relaxter dan fietsen. De omgeving verbaasd me; overal drukte en een zooitje, ze rijden als idioten en drie keer een controlepost. Ik vind het best, ik maak foto’s en kijk mijn ogen uit. Bij de derde controlepost begrijp ik het Arabisch wat mijn chauffeur tegen de politieman zegt een beetje. Een officier wordt erbij gehaald. Mijn chauffeur verteld waar hij me afzet, en dat ik vandaar verder ga fietsen. Aan mij weer de vraag wat ik ga doen. Ik leg hem uit dat ik het laatste stuk ga fietsen, en dan over de Allanby bridge terug naar Israël ga. Ok, veel succes en welkom in Jordanië!


Als we het kruispunt bereiken welke ik bedoel, stap ik uit, bedank en betaal mijn chauffeur. De wind en het zand waaien om mijn oren als ik weer op stap. De komende kilometers verbaas ik me weer; geiten op de weg, overal hangt buiten was te drogen in deze zandwind, de schamele onderkomens van sommigen. Vaak durf ik geen foto’s te maken, ik voel me toch niet altijd op mijn gemak. Wel kan ik lachen om een truck vol gehoofddoekte vrouwen, die allemaal slechts hun ogen vrij en een petje op hebben, en gaan joelen als ze mij voorbij rijden. Werkelijk iedereen vindt het nodig om te fluiten, te roepen, schreeuwen of zwaaien. Een klein jongetje dat vanaf het dak van zijn huis roept;”I love you too!”. Ik weet niet of ik het leuk moet vinden of niet, de steen nog in gedachte. Werkmannen langs de kant van de weg die me wenken om bij hen te komen. Een vrachtwagentje komt naast me rijden, en de bijrijder begint Arabisch tegen me te praten. Zijn gouden tand glimt me tegemoet als ik me even aan de wagen vast houd. Gelijk waait mijn pet af dus moet ik loslaten. Toeval?


Om half drie belt ma; ik moet opschieten want om drie uur gaat de grens dicht! Chips, dan heb ik een probleem! Ik probeer weer een wagentje te laten stoppen, en al rijdend hou me vast aan het portier. Weer slecht Engels, maar ja hoor, ze willen me wel helpen, ze zullen verderop stoppen om mijn fiets in te laden. Ik laat los, en ze gaan er vandoor. De volgende die ik laat stoppen, spreekt nog geen één woord Engels. In houtje touwtje taal leg ik hem uit waar ik heel snel moet zijn, en dat ik daar vijf dinar voor wil betalen. Hij brengt me weg. In een auto die werkelijk aan elkaar hangt van touwtjes, rammelen we naar de brug. Opeens gaat hij van de hoofdweg af, ik weet niet wat hij van plan is. Het enige wat we van elkaar lijken te begrijpen, is “Azrael”. Ik hoop niet dat deze rit eindigt in een nederzetting die ik in mijn onderbroek dien te verlaten… De man oogt gemoedelijk, maar ik ben er niet gerust op. Plots staan we voor een hek met een jonge politieman ervoor.

Nee, je kan niet naar Israël, de brug is gesloten. Om twaalf uur al; weekend.

Maar, mijn moeder staat daar aan de andere kant, de grens is daar nog 15 minuten open!

Dat klopt, maar hier is de brug dicht. Om twaalf uur al, weekend.

De conversatie is beperkt, al ga ik op mijn kop staan, ik krijg niks voor elkaar, en alleen te horen dat de brug dicht is. Om twaalf uur al, weekend.


De man die me heeft weggebracht, heeft steeds staan luisteren, en beseft ook dat ik me erbij neer moet leggen, en naar een hotel moet fietsen. Hij vraagt om zijn geld, en ik geef hem het. Moedeloos pak ik mijn tas in. Met medeleven in zijn ogen roept de man me, en geeft me het geld terug. Das dan wel weer aardig. De politiejongen sleept ondertussen een bank naar buiten en zegt dat ik met hem moet komen praten. Sorry, geen tijd. Wat ik hier wel wijzer ben geworden, is waarom iedereen hier zo moeilijk begrijpt wat ik bedoelde als ik het over deze brug had. Op mijn kaart heet het ding de Allenby bridge. Maar hier in Jordanië noemen ze het de King David brug! Dat maakt de slecht-Engels-conversaties nog onduidelijker. Ik stap op mijn fiets, en ga terug naar de hoofdweg. Ik baal, ik weet niet waar ik naar toe kan, heb geen kaart van dit binnenland, en heb maar een paar dinar en een nog nooit gebruikte creditcard. De wind blaast allerlei zand, rotzooi en plastic zakken in mijn gezicht. Ik kom nauwelijks vooruit en voel me uit het veld geslagen.


Aan twee mannen die bij een auto aan de kant van de weg zitten, vraag ik naar het dichtstbijzijnde hotel. Terwijl de een me van alles duidelijk probeert te maken, loopt de ander weg. Hij komt vrij snel terug met een vrouw die thee bij zich heeft en aanbiedt. Het wordt me niet in dank afgenomen dat ik t af sla. Ik moet verder, ook door al het zand lijkt het al te gaan schemeren; iets waar ik niet blij van word. De komende twee kilometer vraag ik aan meerdere mensen de weg naar een hotel. Ze wijzen allemaal landinwaarts of rechtsaf, en de afstanden variëren van 13 tot 55 kilometer. Dit komt niet goed zo. Op de hoofdweg hou ik een busje aan. Ik probeer uit te leggen dat ik terug wil naar de grensovergang van deze ochtend. Daar wil ik twintig dinar voor betalen. Niet veel, maar ik heb ook niet meer bij me. Hij lijkt me te begrijpen, ik laad de fiets in en we gaan rijden. Het enige wat hij me kan vertellen is dat hij een politieman is. Bij het eerstvolgende dorpje stopt hij, en gaat op zoek naar iemand die Engels spreekt. De man die dan komt vertalen, vertelt wat ik wil. De politieman schrikt, en vraagt honderd dinar. Die heb ik niet. Ik probeer zo wanhopig mogelijk te kijken, begin over mijn hotel en mijn moeder aan de andere kant van de grens, en zeg dat ik niet meer heb dan twintig dinar en vijf euro. Anders haal ik mijn fiets uit de auto. De politieman zegt dat er altijd wel iemand is die het wel wil, dus dat ik dat dan maar moet doen. Op dat moment stopt er een pick-up truck achter ons, waar twee jongens uit stappen. De man vraagt gelijk of zij mij willen wegbrengen. Ik hoor de Engels sprekende man over twintig dinar en vijf euro beginnen. Ik begrijp ook dat hij zelf al zegt dat het niet méér kan worden. Ok, ze willen me wel wegbrengen. Aan de Engels sprekende vraag ik of het wel te vertrouwen is. Enigszins gepikeerd zegt hij; “Natuurlijk, het is mijn volk!”. Ik laad de fiets in de auto, en de langste 90 kilometer van m’n leven beginnen.


De jongens spreken geen Engels. Amper op weg willen ze gelijk geld. Ik zeg ze dat ik het niet geef, maar pas bij de grens. Ze proberen van alles te zeggen tegen me, met z’n tweeën tegelijk. Waarschijnlijk nemen ze me in de maling, maar zo voelt het niet. De jongen naast me begint over mijn gouden kettingen. Hij is erg geïnteresseerd in ze en ik stop ze maar gauw weg. De bestuurde zit alleen maar te bellen. Is hij iets aan het regelen? Dan maakt de jongen duidelijk dat ze iets willen eten, en willen stoppen. Het enige wat ik zeg is dat ik geen honger heb, en naar de grens moet, Israël. Ik wijs op mijn denkbeeldige horloge, en roep alleen maar; “Go go go!”. Deze rit knijp ik ‘m echt. Eelco komt nu even niet op z’n pootjes terecht geloof ik… Ik ben me terdege van mijn kwetsbaarheid bewust, en hoop dat Reinier nog een beetje op me past. Soms is het moeilijk om dit geloof een beetje vast te houden. Oh Jezus, laat dit toch goed aflopen…


Na een dollemans rit met hoge snelheden, dwaze inhaal manoeuvres en een fikse speling in het stuur, waarbij ik stijf van de spanningen heb gezeten, zie ik een bord met “Border, 23 km” staan. Gelukkig, want herkennen deed ik tot hier toe niks. Ik wist alleen van de drie controleposten die we vanaf hier tegen komen, en bij de laatste merk ik dat de jongens de weg vragen naar de grens. Dan begin ik een klein beetje te geloven dat ze het goed met me voor hebben. Uiteindelijk draaien we de weg op naar de grens. Ze stoppen de auto, ik pak m’n fiets, geef ze een hand en betaal ze, en maak dat ik wegkom. Later blijkt dat ik me vergist heb, en ik ze maar vijf euro en tien dinar betaald heb… Sorry!


Bij de eerste controlepost komt dezelfde man als ’s ochtends naar buiten. Hij vraagt waarom ik terug ben, en ik vertel hem dat King David bridge gesloten is. “Oh ja!”, zegt ie; “Het is zaterdag vandaag! Sorry!”. Of m’n fiets al weer goed was… Grrrr.


Weer moet ik door dezelfde posten. Weer moet ik een uitreistaks betalen. Dat kost me vijf dinar, die heb ik nog precies. Terug gekregen van het gammele vrachtwagentje. Ze verzekeren me dat Israël nog drie uur open is. Eerst zien, dan geloven. De bus is voor m’n neus vol, en rijdt weg. Ik ben nog steeds niet in Israël. Bij de taxfree twijfel ik erg of ik een fles Bacardi zal kopen voor 13 euro. Ik doe het niet.

Een half uur later komt de bus. Inmiddels heb ik ma om 1815 uur gebeld, en die gaat onderweg om me op te halen. Uiteindelijk mogen we de bus in. Als hij eindelijk gaat rijden, worden weer onze paspoorten gecontroleerd door de Jordanese douane. Bij Israël zijn ze 15 minuten bezig om de bus van alle kanten te controleren. Ook aan de onderkant met spiegels. Een bus die steeds 300 meter op douane terrein rijdt. We halen het, en stappen met bagage de terminal binnen. Ik als laatste, omdat ik een foto maakte van een bord “Welkom in Israël”. Ik sta dus achteraan in de rij. Er komt een douane vrouw op me af, en haalt me uit de rij. Wat ik kom doen in Israël, is de vraag. Ik geef haar de brief van de ambassade. Ik moet mijn tassen van mijn fiets afhalen, en vertellen waarom ik weer terug ben. Ik moet zeggen, ik had het idee dat ik een voorkeursbehandeling kreeg; en na vier keer mijn paspoort te hebben laten zien, sta ik buiten. In Israël. Thank God.


Ik moet een kwartier wachten, dan komt ma er aan gereden. Ze is geëmotioneerd, en blij me te zien. Gelukkig krijgen we de fiets op de auto, en om half negen rijden we terug. Terug naar waar zij al was, en ik ook ga slapen. We rijden rustig door de Westbank, het is laat, dus we krijgen weinig mee van bezet gebied. Om kwart over tien komen we in het huisje aan. Moe, maar blij dat we er zijn. De teller staat op 913, 61 kilometer afgelegd.



25 Oktober 2009, Dag 7


Waar we vandaag geslapen hebben is het mooi. Het is weer een guesthouse, een groot groen terrein midden in de stoffige bergen. We zijn aan het begin van de Dode Zee, aan de Noordkant. Na het ontbijt, waar we ons ergeren aan het hamstergedrag van “de Nederlander”, vertrek ik snel; ik weet dat dit een lange dag wordt. We hebben geslapen in Qualya, een 15 kilometer onder Yericho. De omgeving is indrukwekkend. Links van me de Dode Zee, met daar achter Jordanië, rechts de bergen. Deze zijn prachtig om te zien. Helemaal kaal, maar prachtig. Ik maak dan ook best veel foto’s. Nog redelijk aan het begin van de Dode Zee, kom ik langs een bushokje. Hier staat een auto, twee mannen staan in de halte. Eén blijkt een Nederlander, die bijkans gek wordt als hij mijn vlag ziet. Hij neemt een hoop foto’s van me, en wil alles van me weten. Enthousiast verteld hij alles in vloeiend Hebreeuws aan zijn vriend. Hij vraagt me of hij de foto’s op internet kan zetten, op Hyves of op Facebook. Als ik hem van mijn website vertel, zegt hij te zullen proberen de foto’s daarop te zetten. Ik vertel hem over de interviews in de kranten van Nederland, en dat het niet lukt om in Israël in de krant te komen. Hij vertaalt het, waarop zijn vriend zegt misschien wel wat te kunnen betekenen. Ze bieden me bier en water aan. De Nederlander is er een van het type vrolijke Amsterdammer, zonder kapsones of een hoop goud. Een leuke vent, maar ik ben benieuwd. Zwie blijkt hij te heten. Vrolijk nemen we afscheid.


De eerste 30 kilometer zijn nog best wel pittig. Bij En Gedi houden we pauze. Dit is een toeristische trekpleister waar je de Dode Zee in kunt gaan. Aan een picknicktafel nemen we een snack, en ik werk een halve fles cola naar binnen, een uitzondering voor mij. Ook kopen we alvast ansichtkaarten, uiteraard hebben ze geen postzegels. Als ik weer verder ga, is het over het algemeen goed te doen. De zon is wel moordend. Bij En Boqeq is een heel groot terrein vol hotels. Hier lunchen we in de airco van het winkelcentrum. Even afkoelen. We zijn hier op het laagste punt van de wereld. Na drie kwartier gaan we weer, en smeer ik me eindelijk in tegen de zon. Te laat, want voor de rest rijd ik in de schaduw van de bergen! De kilometers die volgen langs de zoutpannen gaan snel. Ik verbaas me over de industrie die hier zit. Wat een vieze bende. Ik kan me niet meer herinneren waar ik vroeger precies geweest ben hier. Gek. Meters hoge bergen van zout, en ze blijven maar door gaan. Uiteindelijk bereiken we aan het einde van de Dode Zee de afslag richting huisje. Ook dan is het nog vijf á zes kilometer, maar we zijn er. Het is een groot terrein, en waar we nou belandt zijn? Het lijken verschillende wijken, waar onder een kunstenaars dorpje, wij zitten in de Vietnamese/Chinese hoek geloof ik. Ma heeft te eten gehaald in het plaatselijke supermarktje en kookt voor ons. Ik doe de aardappels (twee, zo groot zijn ze) buiten op de brander, en het smaakt ons heerlijk. Vijf uur binnen, om 1720 uur in het huisje. Een moeilijk begin, maar een lekkere dag gehad. De teller staat op 1021 kilometer, 108 gereden. Op het laagste punt van de aarde? Dat betekent maar één ding: morgen wordt het klimmen! En moeilijk ook, want ik moet proberen 120 kilometer vooruit zien te komen. Zo dik bezaaid zijn de kibboetsen en dorpjes namelijk niet meer. Maar, in Nederland dacht ik de woestijn in één keer te moeten doen,omdat ik onderweg niets tegen zou komen, maar dat blijkt niet nodig. Er is in ieder geval een slaapmogelijkheid om het in twee keer te kunnen doen. Morgen de woestijn in, ben benieuwd.



26 Oktober 2009, Dag 8


An other day at the office. Gister bestond de avond alleen uit schrijven. Het koken ging langzaam, en we aten dus laat. Plus, ik moest voor twee dagen schrijven. Vanmorgen werd ik een keer eerder wakker dan mijn moeder. Half zeven, tegen zevenen ging ik er uit. Een half uurtje later kwam ze ook. Ik kreeg het voor elkaar om om half negen op de fiets te zitten. Dat moest ook wel, want onze volgende stop is een roteind hier vandaan. In de woestijn zijn de slaapplaatsen niet dicht bezaaid. Als ik de grote weg op draai, duurt het niet lang of ik kan aan het klimmen beginnen. Er zit een gemeen stuk in, waar zelfs vrachtwagens helemaal terug moeten schakelen en rechts gaan rijden om personenauto’s er langs te laten gaan. Een stuk verderop splitst de weg zich. Eilat naar links, rechtdoor gaat de weg nog lang steil omhoog de bergen in. Gelukkig voor nu, maar het plan is dat als ik van Eilat af kom, deze splitsing moet hebben om naar Tel Aviv te gaan. Er staat me dus nog wel wat te wachten.

Na deze klim is de weg voor de rest eigenlijk glooiend. Voornamelijk omhoog, maar soms ook weer iets dalend. De hele ochtend vliegen er steeds gevechtsvliegtuigen over mijn hoofd. Waarschijnlijk steeds dezelfde, maar toch een stuk of tien. Bij de eerste rustplaats waar ik ma ontmoet, komen ze weer over. Maar dit keer vliegt er een brandstoftoestel mee, en zijn ze daadwerkelijk aan het tanken. Een spectaculair gezicht. Als ik weer verder rij, komt het hele spul nog een keer voorbij, al tankend. Leuk!


De temperatuur is vandaag wederom moordend.; zo rond de 33/35 graden. Maar ik kom nog steeds goed weg, zomers is het hier blijkbaar tussen de 40 en 50 graden! Een aantal keer ontmoeten moeders en ik elkaar, kan ik weer even afkoelen. Ik heb er vanmorgen voor gekozen om second skin op mijn kont te plakken, in de hoop dat de pijn op de zitplekken minder zou zijn. Niets is minder waar. Ik kan maar geen vrienden worden met dit zadel. Mijn kont is helemaal beurs, rood. Het is moeilijk om vol te houden als de conditie er wel is, de geest ook nog wel wil, maar je eigenlijk niet meer kunt zitten van de pijn. Ik snap het ook niet, volgens mij had ik er tijdens mijn fietstocht in Frankrijk veel minder last van. Ook daar had ik pijn, maar op een gegeven moment fiets je daar toch een soort doorheen. Hier gebeurd dat niet, en weet ik vaak niet meer welke houding ik aan moet nemen. Nu is de ellende dat ik door een longinfectie niet heb kunnen trainen in Nederland, en dus met een nieuw zadel ben begonnen. Niet ingereden, geen zitvlees gekweekt. Een jaar niet gefietst, en dan dit avontuur. Dat voel ik dus steeds, en flink ook. En in plaats van dat de pijn went, wordt het alleen maar erger. De second skin leek even de pijn te verzachten, maar is op een gegeven moment alleen maar vervelend; de randjes krullen om en plakken steeds vast aan mijn broek. Steeds moet ik het los trekken en dat doet dan zeer. Helaas zijn er niet veel fietsenmakers in de woestijn, dus even een zadel verwisselen behoort niet echt tot de mogelijkheden. Onderweg kom ik, op een kruispunt waar ik met ma heb afgesproken, een gevechtsvliegtuigwrak tegen. Zonder vleugels, en het lijkt er op of hij flink beschoten is. Het ding is hier neer gezet als monument waarschijnlijk. Er staat een man bij te kijken. Ik fiets naar hem toe, en zeg dat hij dat ding hier niet mag parkeren, dat hij hem terug moet brengen naar het vliegveld. Heb ik weer, hij verstaat geen Engels. Nou ja, ik vond het zelf wel een leuk grapje...


Op een paar moeilijke punten brengt ma me verder; dan hang ik aan de auto en gaan we met dik 50 km de heuvel op. Ik weet het, het is vals spelen, maar soms broodnodig voor het moraal. In het totaal zal het misschien vijf kilometer geweest zijn. Met nog ongeveer twintig kilometer voor de boeg gaat ze vooruit, richting slaapplaats. Even later komt er een wind opzetten, en krijg ik het bergaf zelfs amper voor elkaar om 17 km/h te rijden. Het laatste stuk is echt een worsteling om bij het huisje te komen. Bekaf, maar volgens ma niet zo moe als dag drie, kom ik aan bij de kibboets. Gehaald. 1142 op de teller, 121 km gereden! 1645 Uur binnen. Onder de douche trek ik de second skin er af, en schreeuw het uit. Dat deed zeer, en het opplakken was een domme beslissing!



27 Oktober 2009, Dag 9


Om half acht word ik wakker. Ma komt naast me zitten, en spreekt wederom haar twijfels uit over het halen van de terugreis. Ik zeg met het ontbijt de kaart mee te zullen nemen, en mijn afstand-meetapparaat, en het opnieuw te bekijken. Naast hetzelfde ontbijt als altijd, eindelijk fruit. Ik reken alles opnieuw uit, en blijf er van overtuigd dat het moet kunnen. Ook al zullen het vier loodzware dagen worden, de terugreis is in vier dagen te doen. Gelukkig is er de mogelijkheid om halverwege de woestijn te overnachten, anders had ik de 180 kilometer woestijn oversteek nooit in één keer gehaald. Er zijn zelfs een paar overnachtingsplekken, en dat had ik niet verwacht. Maar goed, blijven het vier dagen; vier zware dagen waarschijnlijk, maar ik blijf er van overtuigd dat het moet lukken om het te halen. Vandaag wacht me eerst nog een relatief makkelijk dagje met 65 km. Dacht ik.


Ik maak een foto van de toegang van de kibboets, en draai de weg op. Ondanks de tegenwind bereik ik het eerste afgesproken ontmoetingspunt vrij snel. Maar dit is ook al na 20 km. Moeders moet nog uit de kibboets vertrekken, dus we spreken tien kilometer verder af. Hier is een kleine shopping mall met tankstation. Ik koop een heerlijk yoghurt-dadel ijsje, en twee espresso, en wacht op haar. Nog voor de koffie koud is zit ze naast me. Na een minuut of twintig vertrek ik weer. Als ik uit de beschutting kom van de mall, weet ik niet wat me overkomt. Ik draai de hoofdweg weer op, en heb de wind pal op kop. Mijn vlag klappert hevig achter me. Ik schat zeker windkracht zes. In de verte zie ik een zandstorm aankomen. De volgende uren bevind ik me voor mijn gevoel in “hel”. Ik trap me suf, en kom maar met moeite met 12-15 km/h vooruit. Waar ik gehoopt had vlot in Eilat te zitten, valt dit toch weer even knap tegen. Het is een jaar geleden, maar op een gegeven moment ben ik toch weer hardop tegen het land aan het schreeuwen waarom ik dit toch g*dverdomme verdiend heb, en dat het een k*tland is. Niet dat het iets helpt, maar het is allemaal zo frustrerend…


Tijdens een pauze in de auto verzucht ik dat volgens mij er steeds iets tegen moet zitten. Na een paar uur word ik door Zwie gebeld. De Nederlander van het bushokje. Hij verteld me dat ik snel gebeld ga worden door een Israëlische krant. Hoewel ik sterk vasthoud aan de gedachte: eerst zien dan geloven, geeft deze gedachte me wel vleugels. Ik krijg weer wat moed. Drie kilometer voor Eilat nemen we een ijsje. In de verte zien we de grote hotels al liggen. Precies als ik Eilat binnen rij, word ik gebeld door iemand van de krant. Hij vraagt waar ik ben, en of het goed is dat hij mijn nummer geeft aan een correspondent in Eilat. Op dat moment gaat het snel. Ik rij de stad in, vind de jeugdherberg, en als we ingecheckt zijn, kan ik al weer naar buiten voor een interview met een journalist. De fiets moet achterin de auto van de fotograaf om nogmaals Eilat binnen te rijden voor de foto. Hij neemt weet ik hoeveel foto’s. Om half vijf zit het er weer op. Het schijnt voor één van de drie grootste kranten in Israël te zijn, ben benieuwd. Hierna gaan we op zoek naar een pinapparaat en beltegoed voor moeders. Eten doen we in de zaal van de jeugdherberg. Een enerverende dag, jammer dat ik niet veel van Eilat gezien heb. Om 1515 uur klaar met fietsen, de teller op 1210 km.



28 Oktober 2009, Dag 10


Weer een dag verder, nog drie te gaan. Ma zegt al dat ze het jammer zal vinden als de reis voorbij is. Gisteren heb ik wat zitten internetten, en aansluitend een gesprek gehad met de receptionist over mijn tocht en de situatie in Israël. Hij maakt op een gegeven moment de opmerking: “Parents are living with the constantly fear of childeren not comming back.”. Een zin die hard binnen komt. Het is ook wat ik ervaren heb hier. Door deze tocht kom je meer te weten over hoe het volk hier zich voelt, meer dan tijdens een vakantie. Het is een sfeer welke continu aanwezig is, de angst dat er weer iets gaat gebeuren. Het lijkt eigenlijk simpel; iedereen is bang dat zijn kinderen op een dag niet terug komen. En toch zijn we niet in staat om deze situatie te veranderen? Dat moet toch anders kunnen?

Later op de avond ben ik na het schrijven en internetten toch nog een even Eilat in gegaan. Ik heb bijna twee uur geslenterd over de boulevard. Allemaal kraampjes langs de hotels. Het verbaasd me hoe weinig ik me kan herinneren van mijn verblijf hier in 1997, buiten de boulevard. Hebben we toen zo weinig gedaan en gezien, of heb ik toen zoveel gedronken? Ok, er kan best veel veranderen in twaalf jaar tijd, en de boulevard kan ik me goed herinneren, maar ook die ziet er hier en daar anders uit dan gedacht. Ik weet zelfs niet meer welk hotel we zaten. Anyway, hier te lopen met dit verleden doet me niets. Het is wel grappig om de dingen terug te zien die ik wel herken. Het duurt bijna twee uur eer ik heen en weer gewandeld ben, wat spulletjes gekocht heb, en terug op de kamer ben. In de jeugdherberg kun je merken dat het jonge spul op pad gaat. Een hoop klereherrie en geblèr. Half twaalf, en nog steeds 24 graden.


Als ik op sta en naar buiten kijk, zie ik dat de wind wéér gedraaid is. De vlaggen wijzen nu strak naar zee; voor mij dus straks weer pal op kop. Wat is dat toch? Ondanks het vroege uur, zit de eetzaal om acht uur al helemaal vol met jong spul. Het lijkt wel een kippenhok. Om tien over negen stap ik op. Gelukkig valt het mee met de wind. Het is wel wind tegen, maar niet hard. Ook de temperatuur is minder dan gisteren. Ik moet zeggen dat het redelijk goed gaat. De eerste kilometers zijn er wegwerkzaamheden en moet ik wat opletten, maar voor ik het goed en wel in de gaten heb, zijn er 40 kilometer voorbij. We zijn bij Yotvata, de plek waar we gisteren ook koffie en ijs genomen hebben. Onit heeft gebeld, en zegt dat ze al reacties heeft gekregen op het krantenartikel. Het is een goed stuk volgens haar. Voor we het weten is er een pauze van een uur voorbij, tijd om verder te gaan.

Eigenlijk valt er over de trip weinig te vertellen; het is gewoon hetzelfde stuk, en het gaat best voortvarend. Ik bel de mensen die ik onderweg ontmoet heb op, om ze te vertellen van de krant. Josi van de camping, de wielrenner van het begin van de bergen, Tamar die een pizza voor ons besteld heeft op de kibboets van Petka, en Joke van de kaarten voor de hot spring. De algemene reactie is best enthousiast.


We hebben afgesproken te lunchen in Yahel, de plaats waar we gisteren sliepen. Langs de kant van de weg is toch niks, en deze kibboets is vlak bij de weg en heeft bij de receptie een leuk zitje. Ik hoef amper te eten, zit nog vreselijk vol. Het is moeilijk om een goede balans te vinden met eten; om genoeg energie binnen te krijgen zodat het kacheltje blijft branden, zonder een volgepropt gevoel te hebben. Hier eet ik alleen maar fruit, ik hoef even niks meer. Tien kilometer voor het einde van vandaag zijn we bij een truckerscafé. Even een laatste adempauze, een slok water en verder. De ober komt naar buiten en vraagt of ik die jongen ben uit de krant. Ja dus. Hij gaat de krant halen en laat het ons zien. We mogen de krant houden, iedereen heeft hem al gelezen volgens hem. Hij verteld dat hij tegen bezoekers van zijn café had gezegd dat hij mij kende. Tja, gister hebben we hier ook even op een bankje gezeten… Maar, een leuke reactie, en de eerste live.


Op de kibboets weten we niet waar we terecht komen. Een heel idyllisch plekje in het midden van een groot terrein. Het konden zo vakantiehuisjes zijn, met rieten luifeltjes, en Hara Kiri muziek erbij. Geweldig. We hebben een beetje aangerommeld met het eten, en weet je wat ik nu ga doen in het midden van de woestijn? Ik ga de jacuzzi in! Kwart voor vijf binnen, de teller op 1313, 103 kilometer gereden.



29 Oktober 2009, Dag 11


Heerlijk geslapen, niks gehoord door m’n oordoppen, en zeven uur wakker. Gisteravond zijn we bijtijds gaan slapen; moe, en met een half uurtje had ik het wel gezien in de jacuzzi. Onhandig lezen, en mij te warm. Er wordt ons een persoonlijk ontbijt gemaakt. In een ruimte vlakbij voor twee personen. Luxe. De eigenaar, hij lijkt wel homo, probeert voor ons een overnachting te regelen in de buurt van de zoutpannen. Gelukkig grijpt ma in, want het is niet de plek waar we willen zitten. We schakelen Onit weer in.


Als ik vertrek, krijgen we van zijn vrouw nog een doosje dadels mee. Ik zeg gedag, en verlaat het terrein. Het is half tien. Een lichte bries, hij lijkt de verkeerde kant op te staan, maar het gaat super. Of het komt omdat het weer richting laagste punt van de aarde gaat, weet ik niet, de weg is gewoon glooiend. Maar ik vlieg over de weg heen. Ons eerste afgesproken punt haal ik binnen anderhalf uur. Ik bel moeders op, maar die is pas net vertrokken, dus ik ga door. Pas bij 50 kilometer is er een kruispunt, waarvoor ze me net heeft ingehaald, en daar rust ik kort. Ik vertel haar over het vliegtuigwrak waar ik net weer langs gekomen ben enwaar nu een berg paprika’s ligt en spandoeken staan. Ze had het niet gezien. Ik ben er op de foto gezet door een Israëliër, en die vertelde dat het een protest van boeren was. Ik heb nog geen honger, en ga door. Slechts een enkel ogenblik heb ik last van de wind, maar het grootste gedeelte waait hij in mijn zij. Ik profiteer er alleen maar van. Mijn vader belt me om me succes te wensen, en ik neem een foto van allemaal kleine wervelwindjes in de verte.


Na ongeveer 75 km komen we op een kruispunt waar een benzinestation is, hier eten we wat. Ik kan merken dat ik niet veel verbruik vandaag, ondanks dat ik net één stevige klim heb gehad. Banaan en avocado is genoeg. Zo blijft mijn broodje voor de tweede dag onaangeroerd. Hierna nog de laatste 25 kilometer van vandaag. Ik daal de weg af, en beland weer bij de zoutpannen. Wat een vieze industrie hier!En een hoop zout… Halverwege de zoutpannen slaat het weer een beetje om. Links van me zijn de bergen; daar en recht voor me zijn donkere wolken. Er komt een stevige wind opzetten, en uiteraard niet in de rug. Ik moet weer ploegen om vooruit te komen. Gelukkig komt ma om de hoek zetten, en een flink stuk kan ik aan de auto hangen. Dat is nodig ook, ondanks de superdag ben ik het al weer knap zat. Niet veel later staan we hoger, boven aan de kruising. Hier kan ik zien wat ik morgen voor mijn kiezen krijg. Een flinke klim. Het huisje is even zoeken, maar uiteindelijk komen we er. We bellen allebei even met thuis, ik douche en maak me weer klaar voor de volgende dag.


Later gaan we met z’n tweeën naar het hotel terrein van de Dode Zee. Winkeltjes kijken, rond neuzen, en ma wil trakteren op een echte lekkere maaltijd. Een leuk restaurant kunnen we niet vinden, en hotels hebben alleen buffet eten. Niet wat ze voor ogen had. Gek, het ene hotel vraagt voor het buffet eten 156 shekkel, de ander 80; een groot verschil! Een stuk verderop vinden we iets wat toch een beetje op een restaurant lijkt. Ook buffet, maar vinden we het prima. Het is inmiddels half zeven, en we kunnen er buiten eten, uitkijkend over het water. Als we buiten zitten met ons bord, komt er gelijk een buslading russen aanzetten die binnen tien minuten allemaal gegeten hebben. Lekker ontspannen dagje uit… Ook wij verlaten later het lege restaurant, en als we via de winkel op de verdieping erboven eruit moeten, komt er weer een nieuwe lading russen aan. Frappant, een dagje bussen inclusief een uitje naar de Dode Zee; ja, maar wel in het donker… Goed half acht zijn we weer binnen. Ik stort me weer op het bijschrijven van het reisverslag, en ga waarschijnlijk vroeg naar bed. Morgen staan me 25 hele zware kilometers te wachten, en dan daarna de rest van de trip nog. Maar goed, het einde is in zicht. Half vier binnen, 1418 op de teller, 105 kilometer gereden. Later!


P.S. De woestijn heb ik gehad, is het nu specifiek een woestijn? Hij wordt wel zo genoemd. Wel gek dat ondanks de nagenoeg ontbrekende vegetatie, er toch regelmatig vlinders voorbij komen!!



30 Oktober 2009, Dag 12


Over de woestijn gesproken, denk niet dat het daar rustig is. Er loopt een autoweg doorheen, die gewoon druk bereden wordt. Helemaal gisteren, een soort wisseldag i.v.m. het weekend. Wat een drukte! Af en toe heb ik het idee dat ik van m’n sokken gereden word. Wat me ook al een paar dagen opvalt, is de hoeveelheid vrachtauto’s die grond (of steen ofzo) vervoeren, en vooral die nieuwe auto’s vervoeren. Een constante stroom nieuwe auto’s naar het noorden, en lege opleggers naar het zuiden. Onvoorstelbaar. Ook vliegen er regelmatig groene bussen voorbij, dit zijn lijndiensten. En de hoeveelheid touringcars met toeristen zijn al helemaal niet te tellen. Dus wie van te voren dacht dat ik door een bijna lege woestijn zou fietsen…


Vanmorgen heb ik gezorgd dat ik binnen een uur op de fiets zat. Het zou een lange dag worden. Als ik heuvel op het terrein af rijd, zie ik boven aan de weg een bus staan. Ik herken hem gelijk als een Leyland bus, net zo een zoals wij er bij ons bedrijf nog één hebben staan als museum stuk. Hij staat op een oplegger. Ik fiets er naar toe, en wil foto’s maken. Eén van de drie mannen kijkt naar me, en probeert me weg te wuiven omdat ik op de weg sta. Ik vertel hem dat ik ook buschauffeur ben, en dat wij er ook zo één hebben. Ook hij wordt gelijk enthousiast. Hij zegt me te wachten totdat de bus van de oplegger af is, zodat ik mee kan rijden. Hij moet daar de bergen in, de bus wordt gebruikt voor filmopnames. Even twijfel ik in verband met de tijd, maar ik stem toe. Het duurt even eer het zo ver is, maar dan wordt mijn fiets in de bus geladen en rijden we via een keienpad vijf kilometer de bergen in. Ik weet niet of ik dat zo gauw gedurfd zou hebben, met een bus dit pad op! Hoger op in de bergen keert de man de bus op een klein stukje. Das rijden. We zijn echt belandt bij een hele film setting. De catering draait op volle toeren, en er zijn allerlei vrachtwagens met weet ik wat voor spullen. De camera staat opgesteld, de bus wordt gelijk onder handen genomen. Het blijkt voor een Duitse film te zijn; “The Golgotha file”, echt Duits dus. Menigeen wil van alles van me weten. Ik maak foto’s en praat met de chauffeur. Ik krijg een email adres, zodat we foto’s uit kunnen wisselen. Hij verteld me van het museum die zijn bedrijf heeft, en deze blijkt aan de overkant van de begraafplaats van Reinier te staan! Wat een toeval. Als ik hem vertel dat ik moet gaan en waar ik naar toe moet, verzucht hij dat hij al wil slapen als hij 120 kilometer met de bus aflegt, laat staan met de fiets! Vriendelijk nemen we afscheid, en via het keienpad kan ik terug naar beneden. Blij dat ik dit niet op de racefiets hoef te doen zoals in Frankrijk!


Onder aan het pad zeven kilometer afgelegd, en eigenlijk niets opgeschoten. Ik kan gelijk aan de bak. Mijn 25 bergop zijn begonnen. Tja, wat moet ik er van zeggen… Het is zwaar, vooral de laatste drie kilometer, maar ze vallen me niet tegen en niet mee. Ik wist wat me te wachten stond, en hoe snel het zou gaan, en dat is aardig uit gekomen. Gelukkig zijn er weinig momenten dat ik langzamer dan 8 km/h ga. Zou ik toch een beetje conditie gekregen hebben? Een kleine drie uur verder, half tien begonnen, sta ik boven in Arad. Van 400 meter onder zee niveau naar 550 meter erboven. Petje af.


Voor ik begon met deze klim, heeft ma gebeld met een bericht van Onit. Er komt slecht weer aan, dus ik moet als de donder door de bergen zien te komen omdat het daar zeker gevaarlijk is met slecht weer. In de bergen meen ik al af en toe hard de wind te horen fluiten. Boven in Arad krijg ik gelijk. Ik rij tegen een rotonde aan, en kijk op de kaart. Ja hoor, ik moet precies de richting op die tegen de wind in is. Het is echt een storm. Het zicht is gemiddeld tussen de 500 en 1000 meter, maar ik maak ook mee dat ik een bord van vijftig meter verderop niet kan lezen. Bergaf ben ik blij dat ik 13 km/h ga…

Vanaf Arad heb ik een kwartier pauze gehouden. Maar rond twee uur, kwart over twee, heb ik er 16 kilometer op zitten. Dit ga ik nooit op tijd halen, hoe graag ik ook zou willen. Ik kan best door zetten, maar het is zinloos. Op dit moment komt moeders weer voorbij, en besluit ik de fiets op de auto te laden. Ik denk niet dat ik tot het eindpunt wil rijden, met de auto, maar op z’n minst tot de weg draait, zodat de wind van een andere kant komt. Ik vind het niet leuk; hoe fijn het ook is om even uit te kunnen rusten, ik baal er verschrikkelijk van dat ik per auto verder ga. Maar het moet wel, anders ben ik om negen uur nog niet binnen. En volgens ma komt er nog slechter weer aan. Als we de fiets staan op te laden, begint het te regenen.


We gaan rijden, en ook al lijkt de wind vanuit de auto soms mee te vallen, als we de bomen zien, of het geruk aan de auto voelen van de wind, dan weet ik weer genoeg. We rijden ook door een stortbui heen, en zien kleine stroompjes ontstaan. Een stuk voorbij Rahat lijkt de wind te zijn gaan liggen, en zien we dat alles nat is. Ik twijfel wat ik moet doen; doorrijden en van de Hotspring gaan genieten waar we kaarten voor krijgen, en morgen een stuk terug rijden met de auto om het alsnog te fietsen? Maar ja, morgen staat er om elf uur een ontmoeting met Rachel gepland, en die neemt in verband met sabbat geen telefoon meer op…

Vlakbij Quiryat Gat zet ik de auto aan de kant. Ik haal mijn fiets van de auto en wil de laatste kilometers toch nog fietsen. Al is het maar voor de eer. We hebben er 55 met de auto gedaan. Ik dacht dat het nog een stuk verder was naar het eindpunt, maar het blijken er maar 17 te zijn. Op dit stuk ga ik wel over de 1000 kilometer heen, nou vooruit, dat dan weer wel. Maar ik baal er wel van dat ik nu waarschijnlijk die 1200 in totaal niet ga halen… Als we in de regen ons huisje gevonden hebben, krijgen we te horen dat we pas om acht uur kunnen eten. Das Israëlisch, maar ik heb wel honger. Helaas wordt het dus wachten. Op weg hier naar toe was het op de fiets nog knap koud. Wel heb ik verse dadels uit een boom kunnen eten. Grappig, en lekker. Nou, nog een uur wachten op het eten; ik zal eens op de kaart kijken voor morgen. Dat is eigenlijk de laatste dag alweer…

Rond vier uur binnen, 1479 op de teller, 61 kilometer afgelegd. Slechts…


31 Oktober 2009, Dag 12


Helaas kunnen we pas om acht uur gaan ontbijten, maar als het goed is wordt het niet zo’n hele lange dag, dus wat later op de fiets zitten is ook niet zo’n punt. Uiteindelijk valt het nog mee, voor half tien zit ik op de fiets. Ik ga dus niet terug op de route, dat is te omslachtig, maar ik heb wel besloten om wat extra kilometers te rijden. Het is ongeveer tien kilometer naar de kust, en in plaats van dan rechts te gaan naar Tel Aviv, ga ik links. Ik wil tot aan de Gazastrook rijden. Toch kijken daar hoe het er nou uit ziet, en dan weer terug rijden. Vanaf de kust naar Gaza heb ik wind tegen. Geen punt, want dat betekent dat ik richting Tel Aviv eindelijk wind mee heb. Onderweg naar Gaza kom ik langs een cactus met enorme vruchten. Ma had verteld dat ze lekker zijn, dus ik pluk er een. Voorzichtig pel ik hem, aan de buitenkant zitten duidelijk stekels. Die kan ik er af halen, en de schil ook. Als ik dan een hap neem van het vruchtvlees, is het wel lekker, maar zit mijn hele mond, tong, lippen en vingers onder de minuscule stekeltjes! Ik heb geen idee waar ze nou vandaan komen, ik heb niks gezien, maar ben twee derde van de dag bezig om ze overal uit te krijgen. Mijn gehemelte is helemaal gevoelig, mijn tong op een gegeven moment helemaal rauw. Wat een zooi!


Uiteindelijk beland ik bij de Gazastrook. Hier valt te merken dat het weekend is. Er is geen dooie hond te zien. De grensposten en de bewakingshokjes zijn leeg, het terrein verlaten, het hek op slot. Je kunt de Gaza gewoon niet in. De meters hoge betonnen muur die door het landschap loopt is indrukwekkend. Je hoort de mensen er achter aan het werk zijn. Ik bevind me op een terrein waar ik niet mag komen; ik kon het niet laten er toch op te gaan om zo dicht mogelijk bij de muur te komen. Ondanks de verlatenheid vind ik het toch spannend; ik verwacht elk moment dat er ergens militairen vandaan zullen komen. Maar het blijft angstvallig stil. Als ik genoeg gezien heb ga ik weer terug. In gedachten nog de muur. Het is idioot hoe dit werkt. Uit veiligheidsoverwegingen wordt er een muur neer gezet om een gebied. Die mensen kunnen er amper in of uit. En als het weekend is, gooien we het hek op slot, laten de ander zitten, en gaan de vrije dagen vieren. En dan op maandag gaan we dan weer eens relaxed aan het werk. Dan begint de kantoor baan aan de grens weer… Je gooit het hek dicht, en de ander bekijkt het maar twee dagen lang; zelfs de dieren in Artis krijgen elke dag nog een verzorger te zien! Verwachten we nu werkelijk dat de ander zich veel braver gaat gedragen als hij zo beperkt wordt?

Met de wind in de rug ga ik over de grote weg richting Ashdod. Hier hebben we een lunch afspraak met Rachel. Rachel was vroeger een patiënt van Reinier, en ik heb haar eerder ontmoet. We hebben een paar jaar geschreven, niet intensief, maar toch. Ze is acht maanden zwanger, en kan niet naar de memorial, de herdenking komen. Als ik de afslag richting Ashdod moet nemen, zit daar iemand bloemen te verkopen in een bushokje. Ik stap af om een bosje te kopen. Als ik weer op stap, vliegt er een vlinder voorbij. “Ja”, zeg ik lachend; “ik zal haar de groeten doen!”. Gelukkig hebben we het vrij snel gevonden. Rachel is blij om ons te zien. Het is een drukke bedoening met drie kinderen, en Rachel ratelt maar door, maar het is wel even gezellig. Ze heeft wat hapjes gemaakt, en laat ons het huis zien. Naast de foto’s van haar ouders, hangt een foto van Reinier met haar, en een bos bloemen. Leuk! Toen vertelde ik haar van mijn bloemen aankoop en de ontmoeting met de vlinder, waarop zij zei haar kinderen altijd voor te houden lief voor vlinders te zijn: volgens Rachel zijn dat de doden die over ons waken! Na anderhalf uur stappen we op, ma heeft het wel weer gezien.


De laatste 40 kilometer naar Tel Aviv. Ik ben blij er vandaag aan te komen, maar vind het ook jammer dat het voorbij is. De eerste keer dat ik een uitzicht op Tel Aviv heb word ik even, heel even emotioneel. “Nou, dat was het dan.”, schiet er door mijn hoofd heen. Maar ik ben er nog niet. Even twijfel ik om langs Golon te gaan, de plek waar Reinier begraven ligt, maar ik weet dat ma op de Dizengoffstraat staat te wachten. Eerst langs Golon gaan zal te laat worden. Ik weet de weg niet goed, en volg gewoon het centrum. Uiteindelijk wordt dat niet meer aangegeven, en doe ik maar wat op het gevoel. Met wat vragen erbij vind ik de Dizengoff. Maar ik kom wel vanuit het noorden aanrijden in plaats van het zuiden. Ma staat dus de verkeerde kant uit te kijken, en is dus toch verrast. Voor de foto doen we het dus nog maar eens over. Nou, tja, eigenlijk was het dat dan. We geven elkaar een knuffel, en kijken naar de fiets en het monument. Dat hebben we toch maar mooi gedaan. Hopelijk heeft het nut gehad, en/of iemand geïnspireerd voor een volgende actie. Tijd om te gaan, het begint donker te worden. Ik laad de fiets op de auto, en na vijf kwartier verkeerd rijden komen we bij het huis van Onit aan. Hier op de parkeerplaats zie ik ook Lia en Marcel. We sjouwen de zooi naar boven, en het verhalen vertellen begint. Ook de afspraken voor morgen moeten gemaakt worden, en voor we het weten is het half elf. Lia en Marcel gaan, en we kletsen de tijd voornamelijk vol over de dag van morgen, tot het half twee is. Tijd om m’n vriendinnetje van het vliegveld te halen.

Op het vliegveld hoeven we gelukkig niet lang te wachten. Als we aankomen staat er op de borden dat het vliegtuig al geland is, en twintig minuten later sluit ik haar in mijn armen.



1 November 2009, Dag 13


Pas om half tien komen we uit bed. Er is afgesproken om twaalf uur naar Lia en Marcel te gaan, en om een fiets te huren voor Ellen. We zullen samen fietsen naar Golon vanaf de fietsverhuur, en dan weer terug naar de Dizengoff. Nadat Onit gebeld heeft met iemand, blijkt dat de afstand wel mee valt, en verzetten we het een uur. Om half één vertrekken we. Toch te laat eigenlijk. Het verkeer in Tel Aviv gaat langzaam. Als we een fiets hebben, vertrekken Ellen en ik richting Golon. Het waait goed, en uiteraard de verkeerde richting op voor ons. De tijd die we nodig hebben om het te vinden en er te komen valt tegen. Dat gaat een haastklus worden. Als we er zijn, op die enorme begraafplaats, begint de miscommunicatie. We gaan weer weg bij de begraafplaats, omdat we niet zeker zijn of het de juiste is, en komen weer terug. Al bellend met Onit zijn we zo een uur verder om het te vinden, ook op de begraafplaats zelf. Als we er bijna zijn, komen we langs de rest van de club, en is er net besloten dat we geen tijd meer hebben om het graf nog te bezoeken. We moeten gaan; er zijn nog 40 minuten voor dat de memorial begint, en het verkeer gaat druk worden. Ik zeg tegen Marcel dat hij voor Ellen moet zorgen, zeg sorry tegen haar, en dat ik koste wat kost op de fiets terug ga. Nog voor ma of Onit kan protesteren, race ik er vandoor. Als een idioot vlieg ik door Tel Aviv. Gelukkig deze keer met wat wind in de rug, maar het voelt echt als een race tegen de klok. Ik weet niet hoeveel kilometer het is, ik weet alleen hoeveel tijd ik heb. Tussen auto’s en bussen door vlieg ik richting Dizengoffstraat; over stoepen en door rood licht. Met 35 km/h race ik door de stad alsof de duivel op m’n hielen zit. Er wordt een paar keer getoeterd tegen me, en ik glijd een keer bijna onderuit. Door nog harder te rammen op de trappers trek ik de fiets uit z’n slip. Tegen het verkeer in, en ik draai de Dizengoff op; ik ben er. In twintig minuten. Net op tijd komt de rest ook later.


De memorial is niet te verstaan voor ons, maar Onit probeert wat te vertalen. De bedoeling is in ieder geval duidelijk, de sfeer zegt genoeg. Als een gitarist een lied van Paul de Leeuw zingt, in het Hebreeuws, breek ik even. “Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde”, geweldig mooi. Uiteraard ben ik gelijk daarna aan de beurt om wat te zeggen. Ik had een kleine speech voorbereid. Ik spreek de hoop uit dat er een oplossing komt voor dit conflict, en dat die niet zit in het uitvechten, maar in de regering dwingen tot het zoeken van oplossingen. Dat ik hoop anderen geïnspireerd te hebben om ook iets te ondernemen om de aandacht op deze situatie te behouden. En dat als het ze niet lukt om vrede te krijgen, ik me verplicht voel ze over tien jaar weer lastig te vallen met een fietstocht. Na mijn speech worden er bloemen gelegd, en is het echt over. Het was fijn om dit te kunnen doen, mee te kunnen maken, om hier te zijn.


Eindstand 1622; 1158 kilometer gereden.



Hoewel ik er van overtuigd ben dat alles wat hier op aarde gebeurd een bedoeling heeft, heeft de zinloosheid van de dood van Reinier mij altijd dwars gezeten. Het is frustrerend om te zien dat op het eerste oog zijn dood niets veranderd heeft, dat bijna een generatie later de situatie in Israël en het Palestijnse land niet veranderd is. Ik ben me er zeer wel van bewust dat ik niet in staat ben oorlogen te stoppen, toch heeft het me niet weerhouden dit plan door te zetten. Het ging er niet om om de dood van Reinier te kunnen verwerken; dat heeft al een plaats gekregen voor deze tocht. Lijdzaam toezien hoe er niets veranderd in deze situatie kon ik niet. Het ging me er om om aandacht te genereren voor deze situatie; zoveel mogelijk mensen weer even wakker te schudden. Hopelijk is deze tocht niet voor niets geweest; hopelijk is het ook weer een kleine rimpeling in de grote golfstroom die de situatie moet veranderen. Wie weet heb ik iemand aangezet tot een eigen actie; hoe groter deze beweging wordt, hoe groter de kans dat er vrede komt. Sluit na het lezen van mijn verhaal het verhaal niet af. Sluit het in je hart. Denk er over na, en praat er over met anderen. We kunnen niet accepteren dat deze oorlog onomkeerbaar is.

Bedankt voor het lezen.


Voor Shap van de jeugdherberg: Helaas Pindakaas!


Voor Zwie Granaat, of iemand die hem kent, ik kan je niet bereiken, wil je me bellen?


Voor iedereen die zijn steentje, groot of klein, heeft bij gedragen; heel erg bedankt voor het mogelijk maken.


Onit, je hulp was onmisbaar; ook jij hebt een steen verlegd. Thanks.


Ma, ik weet dat deze tocht loodzwaar voor je was, ik ben blij dat te hebben kunnen delen met je.

Zonder jou was het voor mij nog veel zwaarder geweest, wie weet wel ondoenlijk.

Ik hoop dat je hierdoor wat minder het idee hebt gekregen dat de dood van Reinier zinloos is geweest.

Als niemand stenen verlegd, blijft de rivier gewoon doorstromen op dezelfde manier, dan verandert er niets.

Als we een paar steentjes anders leggen, gebeurd er hier misschien niet veel, maar in de hele verdere stroming heeft dit gevolgen. Misschien worden we niet oud genoeg om te zien hoe die rivier dan veranderd; we weten wel dát er iets veranderd, en daar doen we het voor. Je hebt een steentje verlegd, Reinier een grote.


Dank je wel